Topsport uitsluitend dankzij de genen?
Cassini I
Darco
Diamant de Sémilly
Gotthard
Een vraag die blijft fascineren
"Zowel de omgeving waarin je opgroeit als de stimulansen van de mensen rondom je zijn van groot belang om een topsporter te worden." Dat zegt Maarten Larmuseau, professor genetische genealogie aan de KU Leuven.
Die uitspraak roept een interessante vraag op: hoeveel van uitzonderlijke prestaties is genetisch bepaald en hoeveel is het resultaat van opvoeding, training en omgeving?
Sporttalent zit vaak in de familie
Neem wielerkampioen Mathieu Van der Poel. Zijn vader, Adri Van der Poel, was één van de grootste wielrenners van zijn generatie en won onder meer de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik en de Amstel Gold Race.
Ook zijn grootvader langs moederszijde, Raymond Poulidor, schreef wielergeschiedenis met onder meer een overwinning in de Ronde van Spanje, Milaan-San Remo en meerdere podiumplaatsen in de Tour de France.
Ook in andere sporten zien we dezelfde tendens. Carine Hazard, moeder van de broers Eden, Thorgan, Kylian en Ethan Hazard, was zelf een succesvolle voetbalster. Twee van haar zonen groeiden uit tot Rode Duivels.
Raymond & Mathieu
Andere bekende voorbeelden zijn Max Verstappen, Thibaut Courtois en Greg Van Avermaet, die eveneens opgroeiden in een sportieve familie.
Niet alleen in de sport
Hetzelfde patroon zien we ook buiten de sportwereld.
Zangeres Whitney Houston was de dochter van Cissy Houston, een gerenommeerde achtergrondzangeres die onder meer samenwerkte met Elvis Presley en Aretha Franklin. Bovendien was Cissy Houston de tante van Dionne Warwick, eveneens een wereldberoemde zangeres.
Ook Miley Cyrus groeide op in een muzikale familie als dochter van Billy Ray Cyrus.
Zelfs componisten als Ludwig van Beethoven en Johann Sebastian Bach kwamen voort uit families waarin muziek van generatie op generatie werd doorgegeven.
Billy Ray & Miley Cyrus
Whitney & Cissy Houston & Dionne Warwick
Ligt het dan uitsluitend aan de genen?
Volgens professor Maarten Larmuseau is het antwoord duidelijk:
"Natuurlijk zitten de genen om tot goede sportprestaties te komen in dergelijke families, maar ook de omgeving is van groot belang: training, voeding en psychologie."
Wetenschappers spreken hierbij over het verschil tussen nature en nurture.
- Nature staat voor de genetische aanleg waarmee iemand geboren wordt.
- Nurture omvat alles wat daarna gebeurt: opvoeding, opleiding, training, motivatie en omgeving.
Professor emeritus Jean-Jacques Cassiman, jarenlang één van de belangrijkste Belgische genetici, schatte ooit dat genetische aanleg slechts 10 tot 20 procent van het uiteindelijke resultaat verklaart. Het grootste deel wordt gevormd door de omgeving en de manier waarop talent ontwikkeld wordt.
Waarom wordt niet elke broer of zus een kampioen?
Dat meerdere kinderen uit hetzelfde gezin niet allemaal dezelfde uitzonderlijke prestaties leveren, heeft eveneens een genetische verklaring.
Professor Martine Thomis, gewoon hoogleraar aan de Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen van de KU Leuven, legt uit:
"Broers en zussen delen gemiddeld slechts 50 procent van hun genetisch materiaal. Bovendien is elke genetische combinatie uniek. Het blijft dus afwachten hoeveel gunstige genvarianten iemand precies meekrijgt. Daarnaast blijven uiteraard ook de omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen."
Zelfs binnen één familie ontstaat dus telkens opnieuw een unieke combinatie van erfelijke aanleg en omgeving.
Talent vraagt méér dan goede genen
Ook professor Olivier Vanakker, klinisch geneticus aan de UGent, benadrukt dat genetische aanleg alleen nooit voldoende is.
Hij verwoordt het treffend:
"Talent is een vaag begrip. Wie opgroeit in een omgeving waar bepaalde vaardigheden voortdurend worden gestimuleerd, heeft veel meer kansen om daarin uit te blinken. Maar zonder de juiste genetische basis lukt het evenmin."
Hij illustreert dat met een eenvoudig voorbeeld:
"Geef mij hetzelfde trainingsprogramma als Mathieu Van der Poel en ik zal nooit de Amstel Gold Race winnen. En omgekeerd zal Mathieu, met dezelfde universitaire opleiding als ik, geen klinisch geneticus worden."
Een interessante vraag voor de paardenfokkerij
Wanneer we deze inzichten toepassen op de paardenwereld, rijst een boeiende vraag.
Ook in de fokkerij streven we ernaar om de beste genetische eigenschappen te combineren. Tegelijk weten we dat zelfs een uitzonderlijk gefokt veulen zijn talent pas volledig kan ontwikkelen dankzij deskundige opfok, correcte voeding, aangepaste training, een goede gezondheid en een optimale begeleiding.
Is het dan onredelijk om dezelfde redenering toe te passen op de fokkerij van sportpaarden? Of bevestigt de moderne genetica juist wat paardenfokkers al generaties lang intuïtief weten: dat topprestaties ontstaan uit de unieke combinatie van erfelijke aanleg én de omgeving waarin talent alle kansen krijgt?
Bron: Rik Van Puymbroek in De Tijd